De twee wegen
1 Welzalig de man die niet wandelt
in de raad der goddelozen,
die niet staat op de weg der zondaars,
noch zit in de kring der spotters;
2 maar aan desHerenwet zijn welgevallen heeft,
en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht.
3 Want hij is als een boom, geplant aan waterstromen,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
welks loof niet verwelkt;
– al wat hij onderneemt, gelukt.
4 Niet alzo de goddelozen:
die toch zijn als kaf dat de wind verstrooit.
5 Daarom houden de goddelozen geen stand in het gericht,
noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen,
6 want deHerekent de weg der rechtvaardigen,
maar de weg der goddelozen vergaat.